De les van de duif en de slang

 

 
 

“Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif.”    (Matteüs 10, 16)

 

 
Jezus roept de twaalf discipelen bij zich. Ze mogen als zijn afgevaardigden optreden:  Ga op weg en verkondig: “het koninkrijk van de hemel is nabij.”
Het belooft een zware tocht te worden. Onderweg liggen heel wat grimmige wolven op de loer, veel Israëlieten zitten niet op het evangelie te wachten. Jezus weet dit, en rust ze daarom goed toe. Ze krijgen in zijn naam de macht over ziekte, demonen en de dood. De schapen mogen in het voetspoor van hun meester gaan. Ook krijgen ze heel wat praktische adviezen mee. Eén van die adviezen is wel erg merkwaardig. De twaalf moeten zich als slangen en duiven gedragen.

De slang en de duif: twee totaal verschillende dieren.

Met de slang heeft de mens in het paradijs niet zulke hele goede ervaringen opgedaan. Het beest sprak met een gespleten tong, en wist Adam en Eva te verleiden. Toch wijst Jezus op de positieve karaktereigenschappen van het dier. Slangen zijn scherpzinnig, intelligent. Daarnaast zijn ze ook voorzichtig en oplettend. Eigenschappen die de discipelen onderweg broodnodig kunnen gebruiken.

De duif wordt door Jezus gelijk geschakeld met onschuld, argeloosheid. Deze koerende vogel straalt goedmoedigheid en vertrouwen uit. Ze is niet voor niets ook nu nog het symbool van de vrede. Zelfs de Heilige Geest nam de gestalte van een duif aan. De twaalf moeten in ieder huis waar ze binnenkomen de vredegroet uitspreken. Ze mogen vol vertrouwen zijn, God zal hen de juiste middelen in handen geven. De slang en de duif blijken de sleutel tot een succesvolle zendingsreis.

Ook bij evangelisatiewerk kunnen we denk ik veel van de slang en de duif leren. 
Evangelisatie kan niet zonder bezinning. Je moet weten waar je mee bezig bent, wat de boodschap is die je over wilt brengen, welke mensen je voor je hebt. Hierbij mag je af en toe best een beetje ‘sneaky’ zijn (in positieve zin): mensen hebben vaak een creatieve prikkel nodig om aan het denken te worden gezet.

Maar bewaar daarbij wel de ‘onschuld’ van een duif. Evangelisatie mag geen ‘trucje’ worden; integriteit en oprechtheid zijn basisvoorwaarden. Mensen prikken zo door onechtheid heen. Jaag ook de mensen niet doelloos tegen jezelf in het harnas. 

Maar de allerbelangrijkste les van de duif is dat we zonder argeloos vertrouwen nergens komen. We zijn schapen, de dreiging van de wolven is te groot. Laat je zo inschakelen als instrumenten van de grote Herder.

 

 


Zout 18 - december 2006